ECLI:NL:CRVB:2022:1479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek WAO-uitkering na pensioengerechtigde leeftijd
Appellant verzocht het UWV om herziening van zijn WAO-uitkering, die was beëindigd omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Dit verzoek werd niet in behandeling genomen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat een herziening niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de aanvraag en dit moment na de pensioengerechtigde leeftijd van appellant lag.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn medische situatie niet was beoordeeld en dat de pensioengerechtigde leeftijd niet relevant was. De Raad oordeelde dat de rechtbank de gronden terecht had afgewezen en bevestigde dat geen sprake was van een bijzonder geval dat een eerdere herziening rechtvaardigt. Het UWV had onterecht artikel 4:5 Awb Pro toegepast door het verzoek niet in behandeling te nemen, terwijl het had moeten worden afgewezen.
Dit gebrek werd echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat appellant niet benadeeld was en het besluit met dezelfde uitkomst zou zijn genomen. De Raad wees het hoger beroep af, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellant moet vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV moet het betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.