ECLI:NL:CRVB:2022:1490
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens verwijtbare weigering tot medewerking aan re-integratieonderzoek
Appellant, sinds 1980 in dienst bij de politie, raakte in 2014 arbeidsongeschikt na een verkeersongeval. In het kader van zijn re-integratie zijn meerdere medische en arbeidsdeskundige onderzoeken voorgesteld, maar appellant weigerde herhaaldelijk mee te werken, onder meer door niet te verschijnen bij afspraken en het niet ondertekenen van toestemmingsverklaringen.
De korpschef heeft appellant meerdere malen gewaarschuwd en uiteindelijk het bezoldigingsrecht stopgezet. Na een deskundigenoordeel van het UWV waarin werd vastgesteld dat appellant onvoldoende meewerkte, heeft de korpschef hem op 1 april 2019 ontslag verleend wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de korpschef terecht van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst de door appellant aangevoerde bezwaren af, omdat deze niet afdoen aan het feit dat appellant verwijtbaar heeft geweigerd mee te werken aan de re-integratieonderzoeken.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie wordt bevestigd.