Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1491

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2022
Publicatiedatum
11 juli 2022
Zaaknummer
21/3020 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van WAO-uitspraak niet-ontvankelijk wegens onredelijke termijn

De zaak betreft een verzoek om herziening van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 oktober 2019, waarin het beroep van verzoeker tegen een afwijzing van een WAO-uitkering werd gegrond verklaard en het besluit van 16 februari 2017 werd herroepen.

Verzoeker diende een herhaald verzoek om herziening in, stellende dat hij tijdens zijn werkzaamheden in Nederland ziek en volledig arbeidsongeschikt is geworden en geen enkele bron van inkomsten heeft. De Raad heeft overwogen dat op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb een herziening slechts mogelijk is bij nieuwe feiten of omstandigheden die voor de uitspraak niet bekend waren en tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.

De Raad benadrukt dat een herzieningsverzoek niet onredelijk laat mag worden ingediend. Indien geen nieuwe feiten (nova) worden gesteld, geldt een termijn van één jaar na de openbaarmaking van de uitspraak. Omdat in deze zaak geen nova zijn gesteld en het verzoek meer dan een jaar na de uitspraak is ingediend, wordt het verzoek als onredelijk laat beschouwd.

Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het verzoek om herziening niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke termijnoverschrijding zonder nieuwe feiten.

Uitspraak

21.3020 WAO

Datum uitspraak: 30 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2019, 17/8156 WAO
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (Marokko) (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 3 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3245.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2022. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1
Bij uitspraak van 3 oktober 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3245) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2017, 17/3786, vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van16 februari 2017 herroepen. De aanvraag van verzoeker om een WAO-uitkering is afgewezen. Hierbij is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 16 februari 2017.
1.2.
Bij uitspraak van 3 juni 2021, 19/5005 WAO, heeft de Raad het verzoek om herziening van de uitspraak van 3 oktober 2019 afgewezen.
2. Verzoeker heeft een herhaald verzoek om herziening ingediend. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat hij tijdens zijn werkzaamheden in Nederland ziek en volledig arbeidsongeschikt is geworden en geen enkele bron van inkomsten heeft.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Gelet op de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4060, moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld, dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.3.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden (nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
3.4.
De hiervoor in 3.3 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 3.3 vermelde termijn van één jaar gebonden.
3.5.
In deze zaak, die geen betrekking heeft op een uitspraak over een bestuurlijke boete, zijn bij het herzieningsverzoek geen nova gesteld en is het herzieningsverzoek meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht ingediend. Daarom moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
3.6.
Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2022.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) L.C. van Bentum

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
Déclare la requête de révision non recevable.
Par conséquent, décidée par M. Wolfrat, en présence de L.C van Bentum en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 30 juin 2022.