ECLI:NL:CRVB:2022:1491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek om herziening van WAO-uitspraak niet-ontvankelijk wegens onredelijke termijn
De zaak betreft een verzoek om herziening van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 oktober 2019, waarin het beroep van verzoeker tegen een afwijzing van een WAO-uitkering werd gegrond verklaard en het besluit van 16 februari 2017 werd herroepen.
Verzoeker diende een herhaald verzoek om herziening in, stellende dat hij tijdens zijn werkzaamheden in Nederland ziek en volledig arbeidsongeschikt is geworden en geen enkele bron van inkomsten heeft. De Raad heeft overwogen dat op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb een herziening slechts mogelijk is bij nieuwe feiten of omstandigheden die voor de uitspraak niet bekend waren en tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.
De Raad benadrukt dat een herzieningsverzoek niet onredelijk laat mag worden ingediend. Indien geen nieuwe feiten (nova) worden gesteld, geldt een termijn van één jaar na de openbaarmaking van de uitspraak. Omdat in deze zaak geen nova zijn gesteld en het verzoek meer dan een jaar na de uitspraak is ingediend, wordt het verzoek als onredelijk laat beschouwd.
Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het verzoek om herziening niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke termijnoverschrijding zonder nieuwe feiten.