ECLI:NL:CRVB:2022:1520
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige herbeoordeling belastbaarheid
Appellante ontving sinds 2013 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2019 concludeerde een arbeidsdeskundige dat zij geschikt was voor haar maatgevende arbeid als medewerkster tuinbouw en dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Het UWV beëindigde daarop de uitkering.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar psychische en fysieke klachten ongewijzigd waren en onvoldoende waren meegewogen, waaronder een allergie voor bloemen. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen medische onderbouwing was voor meer beperkingen dan vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van maart 2019.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellante geschikt was voor haar voormalige functie en dat de uitkering terecht was beëindigd.
De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was om het besluit te vernietigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 17 juni 2019 wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid.