Uitspraak
22.40 WIA
24 november 2021, 21/939 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
30 november 2020 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 30 december 2020. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het volgende overwogen:
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als voorman in de staalbouw en meldde zich in 2015 ziek wegens knie- en elleboogklachten. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid, later aangepast naar 65,21%. Na melding van verslechtering in 2020 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De arbeidsdeskundige selecteerde vijf functies en berekende de arbeidsongeschiktheid op 64,3%. Het UWV paste de uitkering aan en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de beperkingen niet waren onderschat en dat appellant de geselecteerde functies kan verrichten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er wel bewegingsbeperkingen en psychische klachten waren, maar de Raad volgde het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de medische informatie geen ander licht wierp op de beperkingen. De Raad concludeerde dat appellant tussen 55% en 65% arbeidsongeschikt is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor toewijzing van proceskosten. De uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman op 11 juli 2022.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat appellant voor 64,3% arbeidsongeschikt is en verklaart het hoger beroep ongegrond.