Appellante was werkzaam als medewerkster callcenter en ontving na beëindiging van haar dienstverband een Ziektewetuitkering (ZW) en later een aanvraag voor een WIA-uitkering. Het UWV stelde bij besluiten van april 2018 vast dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen en weigerde de WIA-uitkering omdat zij niet 104 weken recht had op ZW. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het UWV terecht een Toetsing Verbetering Belastbaarheid 2e ziektejaar (TVB2) had verricht.
In hoger beroep betoogde appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat er geen spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts had plaatsgevonden en dat na een WIA-aanvraag geen TVB2 meer mag worden verricht. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat in de primaire fase geen spreekuurcontact was geweest en dat een hoorzitting niet gelijkgesteld kan worden aan een spreekuurcontact. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had onvoldoende gemotiveerd waarom een spreekuurcontact kon worden achterwege gelaten.
De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en vernietigde het bestreden besluit. Het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.