ECLI:NL:CRVB:2022:1556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting Ziektewetuitkering wegens aanhoudende psychische klachten ondanks behandeling
Appellante, voormalig lerares, ontving sinds maart 2019 een WAZO-uitkering en daarna ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde bij besluit van 16 juni 2020 vast dat zij vanaf 30 augustus 2020 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep gehandhaafd, ondanks medische rapporten die een wijziging in beperkingen aangaven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende had gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen niet meer werden erkend. Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische klachten niet waren verminderd en dat de behandeling tijdelijk was gestaakt vanwege haar toestand. Zij voerde aan dat de gevolgen van haar doodgeboren kindje en de angstklachten onvoldoende waren meegewogen.
De Raad oordeelde dat appellante aannemelijk had gemaakt dat er op de datum in geding geen verbetering van haar psychische klachten was. De behandeling was tijdelijk gepauzeerd, niet omdat de klachten waren afgenomen. Het UWV had de ziekmelding van 20 mei 2021 geaccepteerd en per 19 augustus 2021 opnieuw ziekengeld toegekend. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, en bepaalde dat de Ziektewetuitkering vanaf 4 januari 2021 ongewijzigd wordt voortgezet. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente over de nabetaling.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante wordt vanaf 4 januari 2021 ongewijzigd voortgezet en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.