ECLI:NL:CRVB:2022:1572
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Tozo-aanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid woonplaats vanaf 1 juli 2020
Appellant vroeg op 25 juni 2020 verlenging van bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Hij woonde tot 30 juni 2020 op een adres in Schiedam, maar daarna werd die woning gesloopt. Het college wees de aanvraag af vanwege onduidelijkheid over de woonsituatie en het bestaan van studiefinanciering. Na bezwaar en aanvullende informatie over het stopzetten van studiefinanciering, kende het college bijstand toe voor juni 2020, maar wees de aanvraag af voor de periode vanaf 1 juli 2020 wegens onduidelijkheid over de woonplaats.
De rechtbank handhaafde dit besluit. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college de bewijslast draagt om aan te tonen dat hij vanaf 1 juli 2020 niet in Schiedam verbleef. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit en stelde dat het aan appellant is om zijn woonplaats aannemelijk te maken. Een verklaring van een bewoner dat appellant minimaal vijf dagen per week bankslaper was, volstaat niet om het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven aan te tonen.
De Raad benadrukte dat volgens artikel 40 van Pro de Participatiewet het recht op bijstand afhangt van de woonplaats, bepaald aan de hand van het hoofdverblijf of, bij afwezigheid daarvan, de feitelijke verblijfplaats. Appellant heeft geen concrete feiten en omstandigheden overgelegd die zijn woonplaats in Schiedam vanaf 1 juli 2020 aannemelijk maken. Het enige bekende adres was een postadres in Rotterdam. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en bleef de afwijzing van de aanvraag voor de periode vanaf 1 juli 2020 in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de Tozo-aanvraag vanaf 1 juli 2020 wordt bevestigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van de woonplaats in Schiedam.