Uitspraak
21.4480 ZW
mr. M.W.A. Blind.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als kraanmachinist, meldde zich op 27 mei 2019 ziek met diverse lichamelijke klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling concludeerde het UWV dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het ziekengeld per 20 juli 2020. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij aanvullend medisch onderzoek en een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werden opgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief een medisch onderzoek, dossierinzage en aanvullende informatie van de huisarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellant beperkingen had, maar dat deze niet zodanig waren dat hij niet meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij verdergaand beperkt was, met name op het gebied van frequent reiken, en overhandigde aanvullende medische informatie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze informatie geen nieuwe feiten bevatte die het eerdere oordeel konden wijzigen. De Raad bevestigde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat het besluit tot beëindiging van het ziekengeld terecht was genomen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van het recht op ziekengeld per 20 juli 2020.