ECLI:NL:CRVB:2022:1646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellant, voorheen werkzaam als apotheekmedewerker, meldde zich ziek met diverse klachten en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellant stelde dat zijn gezondheid was verslechterd en vroeg om herbeoordeling. Na medisch onderzoek en beoordeling door verzekeringsartsen werd geconcludeerd dat er geen toename van beperkingen was ten opzichte van de eerdere beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant voerde aan volledig arbeidsongeschikt te zijn, ondersteund door medische rapporten en een re-integratierapport, maar deze werden niet als voldoende bewijs gezien om het eerdere oordeel te wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat er geen aanwijzingen zijn voor toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen werd afgewezen wegens het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.