Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1647

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juli 2022
Publicatiedatum
27 juli 2022
Zaaknummer
20/1636 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep Wajong-uitkering

Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV van 27 maart 2020 inzake zijn Wajong-uitkering. Na eerdere vernietigingen en een nieuw besluit nam het UWV op 5 januari 2021 een nader besluit waarin de uitkering per 1 januari 2018 werd vastgesteld op 75% van de grondslag.

Appellant trok het hoger beroep in en verzocht om een proceskostenvergoeding omdat hij meende dat het UWV met het besluit van 5 januari 2021 geheel aan zijn bezwaren tegemoet was gekomen. De Raad oordeelde echter dat het besluit van 27 maart 2020 geen beslissing bevatte over het recht op uitkering per 1 januari 2018.

Daarom was het besluit van 5 januari 2021 geen uitvoering of tegemoetkoming van het besluit van 27 maart 2020. Gezien deze omstandigheden bestond geen grond voor een proceskostenveroordeling. De Raad wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en sloot het onderzoek zonder zitting.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het bestreden besluit geen betrekking had op het recht op uitkering per 1 januari 2018.

Uitspraak

20 1636 WAJONG

Datum uitspraak: 25 juli 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het beroep tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 27 maart 2020
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 11 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3980) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2015 met kenmerk 14/4853 vernietigd, de beslissing op bezwaar van 4 juli 2014 vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. Tevens is het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en schade.
Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft het Uwv op 27 maart 2020 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, tegen het besluit van 27 maart 2020 beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 5 januari 2021 een nader besluit genomen waarin nadere uitkeringsrechten in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) zijn neergelegd.
Bij brief van 14 juni 2021 heeft mr. Vetter namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep tegen de beslissing op bezwaar van 27 maart 2020 ingetrokken. Appellant heeft tevens verzocht om vergoeding van proceskosten, omdat het Uwv met een nader besluit van 5 januari 2021 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Daarbij heeft appellant verwezen naar het besluit van 27 maart 2020 waarbij het Uwv heeft aangekondigd dat zijn Wajong-uitkering per 1 januari 2018 zal worden vastgesteld op 70% van het minimumloon.
Het Uwv heeft terecht naar voren gebracht dat in het besluit van 27 maart 2020 geen beslissing is genomen over de hoogte van het recht op uitkering per 1 januari 2018. In dit besluit is met ingang van 9 november 2011 een Wajong-uitkering toegekend en wordt erop gewezen dat de wet vanaf 1 januari 2018 is gewijzigd waarbij de Wajong-uitkering wordt gebaseerd op tenminste 70% van het minimumloon. Verwezen wordt verder naar een bijlage bij het besluit waarin staat dat door de uitkeringsafdeling nog een herbeoordeling zal worden uitgevoerd om te bepalen of recht bestaat op 70% of 75% van de grondslag en dat daarover nader bericht volgt.
Met het besluit van 5 januari 2021 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellant per 1 januari 2018 vastgesteld op 75% van de grondslag. Omdat het besluit van 27 maart 2020 geen betrekking heeft op het recht op uitkering per 1 januari 2018, is het Uwv met het besluit van 5 januari 2021 niet tegemoet gekomen aan appellant. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een veroordeling in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2022.
(getekend) W.J.A.M. van Brussel
(getekend) E.X.R. Yi