Uitspraak
20 2442 PW
,beiden te [woonplaats]
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en appellant werkte parttime als kapper. Naar aanleiding van vermoedens dat appellant meer uren werkte dan opgegeven, voerde de gemeente Vught een onderzoek uit met waarnemingen en gesprekken. Het college trok de bijstand met ingang van 26 maart 2019 in en vorderde de bijstand over die periode terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat appellant niet meer werkte dan afgesproken, ondersteund door een werkgeversverklaring. De Raad oordeelde echter dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij geen extra werkzaamheden verrichtte, mede door wisselende verklaringen en waarnemingen.
De Raad stelde vast dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Omdat appellant geen objectieve gegevens overlegd had over de extra uren, kon niet worden vastgesteld tot welk bedrag bijstand recht bestond. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde extra werkzaamheden wordt bevestigd.