ECLI:NL:CRVB:2022:1650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellant was ziek gemeld sinds 6 november 2017 en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling stelde een arbeidsdeskundige vast dat appellant niet in staat was zijn eigen werk te verrichten maar wel drie functies kon vervullen die meer dan 65% van zijn maatmaninkomen opleverden. Het UWV beëindigde daarom de uitkering per 6 december 2018. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd vastgesteld met aanvullende beperkingen, maar de arbeidsdeskundige bleef van oordeel dat voldoende passende functies beschikbaar waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beperkingen niet langer in geschil waren. De arbeidsdeskundige had toegelicht dat de geselecteerde functies routinematig waren en geen flexibiliteit vereisten, passend bij de beperkingen van appellant. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de werkzaamheden wel kunnen veranderen en dat het UWV onvoldoende rekening hield met een specifieke beperking, maar de Raad volgde dit niet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de arbeidsdeskundige voldoende had onderbouwd dat appellant geschikt was voor functies binnen een voorspelbare werksituatie. Het ontbreken van overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts over een specifiek aspect van de FML was niet onjuist. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen binnen zijn beperkingen.