ECLI:NL:CRVB:2022:1693

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2022
Publicatiedatum
3 augustus 2022
Zaaknummer
20/1118 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 56 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WIA na zorgvuldige herbeoordeling

Appellante was werkzaam als woonbegeleider en meldde zich ziek wegens nek-, schouder-, cardiale en psychische klachten. Na een loongerelateerde WGA-uitkering tot mei 2019 vond een herbeoordeling plaats waarbij het UWV de arbeidsongeschiktheid vaststelde op 21,86%. Appellante maakte bezwaar en beroep, maar dit werd ongegrond verklaard.

De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de vastgestelde belastbaarheid juist. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische problematiek en röntgenologische afwijkingen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe feiten of medische gegevens bevat die aanleiding geven tot een ander oordeel. De verzekeringsartsen hebben hun conclusies goed gemotiveerd en rekening gehouden met alle relevante beperkingen, waaronder rugsparend werk en psychische factoren. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de eerdere vaststelling van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

20 1118 WIA

Datum uitspraak: 27 juli 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 maart 2020, 18/5932 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Stichting [naam stichting] (werkgeefster)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.J. Broekhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens werkgeefster heeft [belanghebbende] verzocht om als derde-belanghebbende aan het geding deel te nemen.
Het Uwv heeft als antwoord op een vraag van de Raad een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 maart 2022 ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2022. Appellante en
mr. Broekhuizen zijn niet verschenen. Ook werkgeefster en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was werkzaam bij werkgeefster als woonbegeleider voor 25 uur per week. Op 11 augustus 2014 heeft zij zich ziek gemeld voor haar werk ten gevolge van nek- en schouderklachten, met naderhand bijkomende cardiale en psychische klachten. Met ingang van 29 november 2016 is aan appellante tot en met 28 mei 2019 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.
1.2.
In het kader van een herbeoordeling op verzoek van werkgeefster heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Op verzoek van deze arts heeft revalidatiearts W.C.G. Blanken een medische expertise verricht en van zijn bevindingen op 19 april 2018 verslag gedaan. Op basis van deze bevindingen en eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen, die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 april 2018. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 5 juni 2018 vastgesteld dat appellante vanaf 23 mei 2018 21,86% arbeidsongeschikt is. Daarbij is in het besluit vermeld dat appellante vanaf 29 mei 2019 geen WIA-uitkering meer krijgt. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep na onderzoek in zijn rapport van 2 oktober 2018 een extra beperking aangenomen en de FML aangepast. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 oktober 2018 geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid 21,86% blijft. Onder verwijzing naar deze rapporten heeft het Uwv bij besluit van 9 oktober 2018 het bezwaar ongegrond verklaard.
2. In het kader van een professionele herbeoordeling per einde van de duur van de loongerelateerde WIA-uitkering heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 19 november 2019 heeft het Uwv beslist dat appellante vanaf 29 mei 2019 geen WIA-uitkering meer krijgt, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard en het beroep van appellante tegen die beslissing is bij uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 januari 2022, ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.
Gelet op de vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1786) heeft de rechtbank in dit geding uitsluitend beoordeeld of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 23 mei 2018 terecht heeft vastgesteld op minder dan 35%. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Uit de medische rapporten blijkt dat alle klachten van appellante in kaart zijn gebracht. Het Uwv heeft een medische expertise laten verrichten door revalidatiearts Blanken. Blanken heeft de volgende diagnoses gesteld: status na myocardinfarct, hypercholesterolemie, hypertensie, adipositas en een chronisch aspecifiek pijnsyndroom van nek en onderrug waarbij bewegingsbeperkingen en houdingsafwijking. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de behandelend cardioloog en de door appellante overgelegde informatie van haar fysiotherapeut en het medicatieoverzicht in zijn beoordeling betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de medische conclusies ten aanzien van de belastbaarheid op de datum in geding te twijfelen. De verzekeringsartsen hebben op overtuigende wijze toegelicht in hoeverre appellante belast kan worden met werk. De verzekeringsartsen hebben hun conclusies gebaseerd op de klachten van appellante en haar dagverhaal, op het ziektebeeld, op hun eigen bevindingen, op het expertiseverslag van Blanken en recente informatie van de behandelaars. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 26 november 2019 een toelichting gegeven op de wijze waarop de vaststelling van de belastbaarheid op de datum in geding tot stand is gekomen en geconcludeerd dat de informatie van de afdeling radiologie van 15 oktober 2018 geen reden is om de belastbaarheid van appellante aan te passen. De verwijzing van appellante naar het rapport van de verzekeringsarts van 20 augustus 2019 baat appellante volgens de rechtbank niet, omdat dit rapport is opgemaakt in het kader van de herbeoordeling per 29 mei 2019. De verzekeringsarts beschrijft in dat rapport dat de psychische klachten en de klachten aan rug en nek zijn verslechterd ten opzichte van de eerdere beoordeling. Er is dus sprake van een gewijzigde medische toestand – ruim – na de datum in geding, zodat dit er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit hierom onjuist is. Uitgaande van de juistheid van de FML van 2 oktober 2018 heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante de ten behoeve van de schatting geselecteerde functies kan vervullen.
4.1.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat de datum in geding
29 mei 2019 moet zijn. Zij heeft verder aangevoerd dat haar lichamelijke beperkingen niet juist zijn vastgesteld. De medisch objectiveerbaar beperkingen zijn onvoldoende in kaart gebracht. Het chronisch pijnsyndroom van nek en onderrug is gelet op de informatie van de afdeling radiologie van 15 oktober 2018 niet langer aspecifiek, nu daaruit blijkt van artrose en verschoven wervels. Bij toekenning van de WIA-uitkering is vanuit energetisch oogpunt een medische urenbeperking aangenomen. Bij de herbeoordeling is onderschreven dat zij beperkt is ten aanzien van haar energetische belastbaarheid, maar een urenbeperking ontbreekt. De in de FML van 2 oktober 2018 aangenomen beperkingen voor zitten, lopen en staan bieden onvoldoende gelegenheid voor afwisseling van de houding. Er is ook onvoldoende rekening gehouden met haar psychische problematiek.
4.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
Het oordeel van de rechtbank dat 23 mei 2018 heeft te gelden als datum in geding wordt onderschreven. Het bestreden besluit heeft betrekking op een door het Uwv vastgestelde wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid per 23 mei 2018. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, volgt uit artikel 56 van Pro de Wet WIA dat het einde van de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering tot nadere besluitvorming zal leiden. Zoals onder 2 van deze uitspraak is vermeld, heeft deze nadere besluitvorming inmiddels plaatsgevonden. Appellante heeft evenwel procesbelang bij een oordeel in deze zaak, omdat zij stelt dat zij per 23 mei 2018 en nadien volledig arbeidsongeschikt is.
5.3.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 23 mei 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35%.
5.4.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken zorgvuldig hebben plaatsgevonden en dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de op grond van die onderzoeken vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML van 2 oktober 2018. Ook wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies binnen de vastgestelde belastbaarheid blijft.
5.5.
Ook in hoger beroep heeft appellante geen (medische) gegevens overgelegd die aanleiding geven voor een ander oordeel dan de rechtbank. Appellante heeft volstaan met het verwijzen naar de in beroep overgelegde stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 26 november 2019 uiteengezet dat in voldoende mate rekening is gehouden met het advies dat appellante aangewezen is op rugsparend werk. De aangenomen beperkingen voor zitten, lopen en staan bieden bij het ontbreken van onderliggende afwijkingen van de nek en lage rug voldoende gelegenheid om zitten, staan en lopen te kunnen afwisselen en appellante is zo niet gedwongen om lang in één houding te verkeren. Behoudens medicatie is geen sprake van behandeling voor de psychische klachten. Verder zijn bij de primaire beoordeling en in bezwaar geen aanwijzingen gevonden voor psychische problematiek. Bij de aangenomen beperkingen bij persoonlijk functioneren is in voldoende mate rekening gehouden met stress en hoge werkdruk. De rechtbank heeft deze uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht gevolgd. In zijn rapport van 17 maart 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten volgt dat bij de beoordeling in 2016 een tijdelijke urenbeperking is aangenomen uit preventief en energetisch oogpunt. Op grond van de bevindingen van de expertise door Blanken en eigen onderzoek door de verzekeringsarts was er gelet op de goede hartfunctie geen medische reden meer om in de FML van 24 april 2018 een urenrestrictie aan te nemen. Met de in de rubrieken 4 (dynamische handelingen) en 5 (statische houdingen) is rekening gehouden met beperkingen ten aanzien van piekbelastbaarheid en zware fysiek belastende arbeid en met beperkingen voor zwaardere en langdurig nek en onderrug belastende activiteiten. In verband met de slaapproblematiek is een beperking aangenomen voor het werken in de nacht. Over de röntgenfoto van 15 oktober 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend toegelicht dat de gevonden afwijkingen bij beeldvormend onderzoek mild van aard zijn en geen reden geven om meer beperkingen aan te nemen, omdat in de rubrieken 4 en 5 rekening is gehouden met beperkingen ten aanzien van zwaardere en langdurige nek- en onderrug belastende activiteiten. De Raad onderschrijft dit inzichtelijk gemotiveerde standpunt.
5.6.
Uit 5.2 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van K.M. Geerman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2022.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) K.M. Geerman