ECLI:NL:CRVB:2022:1704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor aflossing schuld teruggevorderde WW-uitkering
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en kregen een schuld opgelegd door het UWV vanwege terugvordering van te veel ontvangen WW-uitkering. Zij vroegen bijzondere bijstand aan voor de aflossing van deze schuld, maar het college wees dit af op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, en ook in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De Raad oordeelde dat appellanten vanaf het ontstaan van de schuld beschikten over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, waardoor bijzondere bijstand niet toekwam.
Appellanten voerden aan dat het college had moeten afwijken op grond van zeer dringende redenen zoals het ontbreken van verwijtbaarheid en hun persoonlijke situatie. De Raad stelde echter dat deze gronden niet voldeden aan het hoge uitzonderingskarakter van artikel 49 van Pro de Participatiewet, omdat geen sprake was van een bedreiging van de bestaansvoorziening en er een betalingsregeling met het UWV was getroffen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor aflossing van de schuld is terecht afgewezen wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.