ECLI:NL:CRVB:2022:1710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van niet-verzekering AOW na verhuizing naar België en weigering beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant, geboren in 1963 en sinds 1980 in Nederland woonachtig, ontving een pensioenoverzicht van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin stond dat hij verzekerd was voor de AOW van 1 juli 1980 tot 1 augustus 2011. Na zijn verhuizing naar België per 1 augustus 2011 werd vastgesteld dat hij niet meer verzekerd was, omdat hij niet in Nederland woonde of werkte. De Svb verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze vaststelling ongegrond.
De rechtbank Amsterdam bevestigde dit besluit, waarbij werd meegewogen dat appellant zelf had verklaard vanaf 2006 niet meer in Nederland te hebben gewerkt en vanaf augustus 2011 in België te wonen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij mocht vertrouwen op eerdere pensioenoverzichten die een verzekering tot 2015/2016 aangaven, en dat zijn financiële situatie een langere verzekering rechtvaardigde.
De Centrale Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de overheid toezeggingen had gedaan waarop hij mocht vertrouwen. Bovendien had appellant zelf onjuiste informatie verstrekt over zijn woonplaats. Zijn nieuwe stelling dat hij tot 2015 heen en weer pendelde, werd niet geaccepteerd wegens gebrek aan bewijs. De Raad bevestigde dat de hoogte van het pensioen afhankelijk is van verzekeringsjaren en woon- en leefsituatie, en dat de vraag naar het soort pensioen nog niet aan de orde is.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant na verhuizing naar België niet meer verzekerd is voor de AOW en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.