Uitspraak
21.1407 AW, 21/1545 AW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- bepaalt dat van de stichting een griffierecht van € 541,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene trad in 2003 in dienst als lerares aardrijkskunde bij de stichting. Vanaf 2010 ontstonden spanningen met de vakgroepleider, wat leidde tot mediationtrajecten in 2010 en 2016. In mei 2017 ontstonden opnieuw conflicten, waarna betrokkene zich ziekmeldde en de bedrijfsarts arbeidsongeschiktheid vaststelde, deels werkgerelateerd.
De stichting maakte in 2019 het voornemen bekend om betrokkene te ontslaan wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie. Na bezwaar werd het ontslagbesluit gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat de stichting een overwegend aandeel had in het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding, waardoor betrokkene recht had op een ontslagvergoeding.
In hoger beroep betwistte de stichting dit aandeel, terwijl betrokkene juist stelde dat de stichting volledig verwijtbaar was. De Raad oordeelde dat de stichting weliswaar een overwegend aandeel had, maar in beperkte mate (51%-65%). De stichting had te snel geconcludeerd dat betrokkene niet kon terugkeren, zonder eerst de verhoudingen te normaliseren en de adviezen van de bedrijfsarts op te volgen. Betrokkene had echter ook een aandeel door haar communicatie en weigering tot gesprekken.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep van beide partijen af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, en het griffierecht werd aan de stichting opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de stichting een overwegend maar beperkt aandeel had in het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding en wijst het hoger beroep af.