ECLI:NL:CRVB:2022:1722
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Terugvordering van bijstand na ontvangst erfenis ondanks beneficiaire aanvaarding
Appellante ontving sinds oktober 2016 bijstand op grond van de Participatiewet. Na het overlijden van haar vader op 13 augustus 2018 ontving zij op 4 februari 2019 een erfenis van €27.035,75. Het college trok de bijstand per 1 februari 2019 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode van 13 augustus 2018 tot en met 31 januari 2019 terug.
De rechtbank had het besluit van het college vernietigd wat betreft de intrekking van de bijstand, maar in hoger beroep stond uitsluitend de terugvordering ter discussie. Appellante voerde aan dat de terugvordering niet kon beginnen op de datum van overlijden omdat zij de erfenis beneficiair had aanvaard en pas bij vereffening over het vermogen kon beschikken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aanspraak op de erfenis ontstaat op het moment van overlijden van de erflater, conform vaste rechtspraak. Dat de omvang van de aanspraak op dat moment nog niet vaststond, doet hieraan niet af. Uit de verklaring van erfrecht bleek bovendien dat appellante de erfenis zuiver had aanvaard. Het college handelde in overeenstemming met zijn beleid en was bevoegd de bijstand terug te vorderen. Het beroep van appellante werd verworpen.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand vanaf het moment van overlijden van de erflater wordt bevestigd en het beroep van appellante wordt afgewezen.