Betrokkene had een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) vanaf 20 april 2018. Het zorgkantoor weigerde op 28 mei 2018 een persoonsgebonden budget (pgb) te verstrekken, omdat met het pgb niet op doelmatige wijze toereikende zorg van goede kwaliteit kon worden geleverd. Betrokkene ging in bezwaar, maar dit werd op 19 juni 2018 ongegrond verklaard.
Na het overlijden van betrokkene op 22 april 2019 zetten de erfgenamen de beroepsprocedure voort. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en stelde vast dat de procedure op naam van de erven kon worden voortgezet.
De Raad overwoog dat betrokkene zijn zorg uitsluitend wilde vormgeven door één zorgverlener, zijn zoon, in te schakelen, wat feitelijk geen 24-uurszorg mogelijk maakte. Hierdoor was sprake van een kwetsbare situatie met onvoldoende toezicht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd. Het zorgkantoor werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan appellanten terugbetaald.