ECLI:NL:CRVB:2022:1747
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende gemotiveerde WIA-beoordeling door verzekeringsarts bezwaar en beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als gastvrouw en voedingsassistent, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een WIA-uitkering wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 43,56%, waarna appellante bezwaar maakte. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en stelde de arbeidsongeschiktheid en restverdiencapaciteit vast.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij vanwege psychische klachten geen benutbare mogelijkheden tot arbeid had, onderbouwd met medische rapporten. Het UWV verzocht de eerdere uitspraak te bevestigen.
De Raad concludeert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellante geen situatie van geen benutbare mogelijkheden zou hebben. De medische onderbouwing sluit niet aan bij de bevindingen van de primaire arts en psychiater, die ernstige psychische stoornissen en disfunctioneren op meerdere niveaus vaststelden.
De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het gebrek in het besluit te herstellen door een toereikende motivering te geven of een nieuwe beslissing te nemen. Deze tussenuitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 juli 2022.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep draagt het UWV op het gebrek in het besluit te herstellen door een betere motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar.