ECLI:NL:CRVB:2022:1752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering ondanks psychische en financiële omstandigheden
Appellante had van het UWV een Ziektewet-uitkering ontvangen over de periode van 5 mei 2017 tot en met 20 mei 2018. Na onderzoek concludeerde het UWV dat het dienstverband waarop de uitkering was gebaseerd gefingeerd was, waardoor appellante niet verzekerd was en de uitkering onverschuldigd was betaald. Het UWV vorderde daarom de uitkering terug. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat terugvordering tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zou leiden vanwege haar psychische gesteldheid en financiële situatie.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de terugvordering verplicht is tenzij dringende redenen aanwezig zijn. De rechtbank oordeelde dat de stress en depressieve klachten van appellante niet voldoende waren om van dringende redenen te spreken. In hoger beroep voerde appellante aanvullende medische stukken aan ter onderbouwing van haar psychische problematiek en financiële situatie.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat dringende redenen slechts kunnen bestaan bij onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen, die uitzonderlijk en bijzonder zijn. De Raad vond dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de terugvordering tot ernstige psychische verergering of onaanvaardbare financiële gevolgen leidde. Het UWV houdt rekening met de financiële situatie, waaronder de beslagvrije voet en aflossingscapaciteit, die in dit geval nihil was. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering omdat geen dringende redenen tot afzien daarvan zijn aangetoond.