Uitspraak
21 1091 WW
26 februari 2021, 19/6476 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was tot 26 maart 2019 werkzaam bij een B.V. en vroeg op 25 maart 2019 een WW-uitkering aan. Deze werd aanvankelijk toegekend, maar later ingetrokken omdat appellant had laten weten geen WW-uitkering te willen ontvangen. Op 1 april 2019 trad appellant in dienst bij een werkgever die namens hem een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel (LKV) aanvroeg. Het UWV wees deze aanvraag af omdat het recht op een WW-uitkering voorafgaand aan het dienstverband niet vast te stellen was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat appellant al een vast dienstverband had en de weigering van de doelgroepverklaring geen financiële gevolgen voor hem had. Appellant stelde in hoger beroep dat de doelgroepverklaring het voor werkgevers aantrekkelijker maakt om hem aan te nemen, wat zijn recht op arbeid beschermt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. Volgens vaste rechtspraak is voor procesbelang vereist dat het nastreven van het resultaat ook daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor de indiener. Omdat appellant al een vast dienstverband heeft, heeft hij geen belang bij de doelgroepverklaring. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.