ECLI:NL:CRVB:2022:1797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering zonder dringende redenen
Appellant viel sinds 3 november 2017 uit wegens een motorongeval en ontving over de periode van 5 november 2017 tot en met 18 februari 2018 een dubbele Ziektewet-uitkering van zowel zijn werkgever als het UWV, omdat de werkgever niet tijdig bekend was met de noriskpolis. De werkgever verzocht later om verrekening, maar dit verzoek bereikte het UWV te laat, waardoor het UWV de uitkering ook betaalde.
De werkgever vroeg terugvordering aan van het bedrag van €5.072,95, wat het UWV bij besluit van 8 oktober 2019 oplegde. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank stelde vast dat het UWV gehouden is tot terugvordering, tenzij dringende redenen aanwezig zijn, welke appellant niet aannemelijk maakte.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij pas in september 2019 van de terugvordering hoorde en dat hij door lichamelijke en psychische klachten de uitkering als compensatie zag. Ook stelde hij dat het UWV geen uitleg gaf en dat terugvordering in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht terugvordert op grond van artikel 33 ZW Pro, en dat appellant geen nieuwe gronden aanvoert die de eerdere gemotiveerde afwijzing door de rechtbank onjuist maken. Er zijn geen dringende redenen voor kwijtschelding vastgesteld. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellant moet de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van €5.072,95 terugbetalen; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.