ECLI:NL:CRVB:2022:181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na vaststelling Functionele Mogelijkhedenlijst en arbeidsdeskundig onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als kamermeisje, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling werd een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgesteld met beperkingen, waarna het UWV de uitkering beëindigde omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de beperkingen in de FML juist waren vastgesteld en dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat appellante de geselecteerde functies kon vervullen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, onder meer door medicijngebruik en sociale beperkingen, maar kon dit onvoldoende onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beperkingen adequaat toegelicht en het ingediende behandelplan had geen betrekking op de relevante datum. Er was geen inconsistentie tussen medische en arbeidsdeskundige rapporten. De Raad bevestigde dat appellante in staat was om de geselecteerde functies te vervullen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante wordt terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen volgens de vastgestelde beperkingen en arbeidsdeskundig onderzoek.