ECLI:NL:CRVB:2022:184
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling psychische klachten
Appellante was werkzaam als administratief medewerkster en meldde zich op 6 februari 2018 ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe. Na een eerstejaarsbeoordeling door een verzekeringsarts op 10 januari 2019 werd vastgesteld dat zij belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante 77,03% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarna het UWV op 18 januari 2019 besloot het ziekengeld per 6 maart 2019 te beëindigen.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, maar zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verklaarden dit ongegrond. De medische beoordeling werd als zorgvuldig en volledig beschouwd, waarbij de verzekeringsarts ook rekening hield met informatie van huisarts en creatief therapeut. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts deskundig en onafhankelijk was en dat de ernst van de psychische klachten voldoende was meegewogen.
Hoewel appellante later opnieuw ziek werd gemeld en weer recht kreeg op Ziektewet, betekent dit niet dat de beperkingen per 6 maart 2019 onjuist waren vastgesteld. Klachten over de UWV-beoordeling in het algemeen kunnen niet afdoen aan de specifieke medische beoordeling in deze zaak. De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.