Uitspraak
21 1942 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die sinds 1983 een Wajong-uitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor de eigen bijdrage van tandheelkundige zorg, specifiek voor de vervanging van een gebitsprothese. Het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard wees deze aanvraag af, stellende dat de Zorgverzekeringswet als passende en toereikende voorliggende voorziening geldt en dat er geen zeer dringende redenen waren om bijstand te verlenen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, verwijzend naar vaste rechtspraak dat sinds 2006 de Zorgverzekeringswet de kosten van tandheelkundige zorg regelt en dat aanvullende bijzondere bijstand daarvoor niet wordt toegekend, tenzij sprake is van een acute noodsituatie. Appellant stelde dat zijn oude prothese levensbedreigende situaties kan veroorzaken, maar de rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en benadrukte zijn financiële situatie en de zorg voor drie minderjarige kinderen. De Raad concludeerde echter dat deze omstandigheden geen acute noodsituatie opleveren zoals vereist voor het toekennen van bijzondere bijstand. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage tandheelkundige zorg wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.