Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2024 in de zaak tussen
[naam], eiser en
[naam 2], uit Rotterdam, eiseres,
Rechtbank Rotterdam
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om hun aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van twee Rotterdampassen en een gebitsprothese af te wijzen. De kosten van de passen waren al voldaan op het moment van aanvraag en de zorgverzekering vergoedde een deel van de gebitsprothese.
Het college wees de aanvragen af omdat de kosten van de passen uit eigen middelen voldaan moesten worden en de zorgverzekering als voorliggende voorziening geldt voor tandheelkundige kosten. Eisers stelden dat zij recht hadden op bijzondere bijstand vanwege het jeugdtegoed en medische noodzaak, en verwezen naar beleidsregels en eerdere toekenningen.
De rechtbank oordeelt dat de zorgverzekering inderdaad voorrang heeft en dat geen bijzondere omstandigheden of acute noodsituatie zijn aangetoond die een uitzondering rechtvaardigen. De betalingsregeling die eisers troffen voor de gebitsprothese toont aan dat er geen onvermijdelijke noodsituatie bestond.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst bijzondere bijstand af. Eisers krijgen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter A.J. van Spengen op 23 april 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor Rotterdampassen en gebitsprothese wordt ongegrond verklaard.