ECLI:NL:CRVB:2022:1854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van geschiktheid functies en psychisch onderzoek in Ziektewetzaak
Appellant, laatst werkzaam als visfileerder, meldde zich ziek op 26 februari 2018 en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het ziekengeld per 15 april 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld. In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende psychisch onderzoek was verricht en dat de behandelend psychiater een ernstiger aandoening had vastgesteld dan het UWV.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV op de datum in geding voldoende psychisch onderzoek had verricht, waarbij ook rekening was gehouden met brieven van de Poolse psychiater. De latere constatering van een chronische depressieve stoornis door de psychiater was niet relevant voor de datum in geding. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de functies medisch geschikt zijn voor appellant en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.