ECLI:NL:CRVB:2022:1862

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 augustus 2022
Publicatiedatum
23 augustus 2022
Zaaknummer
21/2765 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53 Besluit algemene rechtspositie politieArt. 4:84 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding kosten woningaanpassing voor buddyhond bij PTSS-erkende oud-politiemedewerker

Appellante, een oud-politiemedewerker bij wie PTSS als beroepsziekte is erkend, vroeg vergoeding van kosten voor het aanpassen van twee wenteltrappen in haar woning om een buddyhond te kunnen huisvesten. De korpschef wees dit verzoek af op grond van een vaste gedragslijn die alleen onderhouds- en medische kosten van de buddyhond vergoedt.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 53 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante wel tot de groep behoort die onder de vaste gedragslijn valt, waardoor sprake is van een bijzonder geval. Echter, de gevraagde vergoeding voor de woningaanpassing valt niet onder de kosten die de vaste gedragslijn vergoedt. De Raad vond dat de korpschef niet buiten redelijke beleidsruimte is getreden en bevestigde de afwijzing van de vergoeding. De overige beroepsgronden werden niet behandeld omdat bevestiging met verbetering van gronden volstond.

Uitkomst: De vergoeding van de kosten voor het aanpassen van twee trappen in de woning wordt afgewezen omdat deze niet onder de vaste gedragslijn vallen.

Uitspraak

21/2765 AW
Datum uitspraak: 18 augustus 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2021, 21/651 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. V.R. Dekker hoger beroep ingesteld.
Namens de korpschef heeft mr. N. Stommels, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2022. Namens appellante is mr. Dekker verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Stommels.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was tot september 2019 werkzaam bij de politie. Bij besluit van 11 december 2014 heeft de korpschef de bij appellante vastgestelde posttraumatische stressstoornis (PTSS) als beroepsziekte erkend.
1.2.
In het kader van een pilot kunnen (oud-)politiemedewerkers met PTSS die als beroepsziekte is erkend onder voorwaarden gebruik maken van een buddyhond. Op 23 oktober 2019 heeft de stichting Koninklijk Nederlands Geleidehondenfonds (KNGF) appellante meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een dergelijke buddyhond, maar dat deze pas kan worden geplaatst als zij beide trappen in haar woning in verband met de veiligheid van de buddyhond heeft aangepast.
1.3.
Appellante heeft de korpschef bij brief van 29 april 2020 verzocht om vergoeding van de kosten voor het aanpassen van twee trappen in haar woning. Bij besluit van 7 juli 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2020 (bestreden besluit), heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Volgens de korpschef komen deze kosten op grond van de vaste gedragslijn die in het kader van artikel 53 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wordt gevolgd niet voor vergoeding in aanmerking. De korpschef heeft geen aanleiding gezien toch tot vergoeding van de gevraagde kosten over te gaan, omdat van een bijzonder geval en van noodzakelijk gemaakte kosten geen sprake is. Kosten vanwege het aanpassen van een huis dat niet of minder geschikt is om een buddyhond te houden staan volgens de korpschef in een te ver verwijderd verband om voor vergoeding in aanmerking te komen. Verder is appellante voldoende draagkrachtig om de eenmalige aanpassingskosten te kunnen dragen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef in redelijkheid het standpunt heeft ingenomen dat de door appellante genoemde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daartoe is, kort samengevat, overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 53 van Pro het Barp. Daarom wordt niet toegekomen aan de vraag of de kosten van het aanpassen van de twee trappen noodzakelijke kosten zijn en of deze kosten redelijkerwijs niet ten laste van appellante kunnen blijven. Wel merkt de rechtbank nog op dat deze kosten niet als noodzakelijk te maken kosten kunnen worden aangemerkt en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat die kosten niet redelijkerwijs ten laste van haar kunnen blijven.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 53 van Pro het Barp is bepaald dat aan de ambtenaar in bijzondere gevallen een tegemoetkoming kan worden verleend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte die de ambtenaar voor zichzelf en zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt, indien hierin niet ingevolge een andere regeling wordt voorzien en deze kosten redelijkerwijze niet te zijnen laste kunnen blijven. Het bevoegd gezag kan over de uitvoering van dit artikel regels vaststellen.
4.2.
Appellante heeft betoogd dat de korpschef en de rechtbank ten onrechte geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 53 van Pro het Barp hebben aangenomen. Op zichzelf beschouwd kan zij daarin worden gevolgd. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de korpschef bij de uitoefening van de in artikel 53 van Pro het Barp opgenomen bevoegdheid in het kader van de onder 1.2 genoemde pilot een vaste gedragslijn hanteert. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante behoort tot de groep van personen waarop deze gedragslijn ziet en dat zij op grond van artikel 53 van Pro het Barp in aanmerking komt voor vergoeding van de in deze gedragslijn nader omschreven kosten. Dit impliceert reeds dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in die bepaling.
4.3.
Het overwogene onder 4.2 betekent echter niet dat de door appellante gevraagde vergoeding had moeten worden verstrekt. In dat verband wordt het volgende overwogen.
4.4.
Appellante heeft betoogd dat het niet redelijk is om de kosten van de aangeschafte trappen (volledig) voor haar rekening te laten komen. Zij is vanwege haar medische situatie aangewezen op een buddyhond en heeft de in haar woning aanwezige wenteltrap moeten vervangen om deze hond daadwerkelijk te kunnen krijgen. Appellante heeft er verder op gewezen dat het verkregen smartengeld niet bedoeld is om in deze kosten te voorzien.
4.5.
De onder 4.2 bedoelde vaste gedragslijn houdt, samengevat weergegeven, in dat (oud-)politiemedewerkers aan wie een buddyhond wordt verstrekt in verband met de als beroepsziekte erkende PTSS de onderhoudskosten van de buddyhond tot een maximaal bedrag per jaar vergoed kunnen krijgen. Het gaat daarbij om de kosten van voeding, verplichte verzekering vergoeding medische kosten, verplichte vaccinaties en aanverwante gebruiks- en speelartikelen en extraatjes (koekjes, botten). Kosten voor de buddyhond die het maximum per jaar te boven gaan zijn voor rekening van degene die de buddyhond verstrekt heeft gekregen, tenzij sprake is van medische kosten die niet anderszins worden vergoed en voldaan wordt aan een noodzakelijkheids- en inkomenstoets.
4.6.
De korpschef heeft ter zitting de gevolgde vaste gedragslijn nader toegelicht. Volgens de korpschef is het redelijk om de noodzakelijke kosten direct verbonden aan een verstrekte buddyhond te vergoeden. Dit zijn de in 4.5 genoemde kosten, waarbij de maximering van de onderhoudskosten berust op een zorgvuldig onderzoek naar de omvang van deze kosten. Volgens de korpschef is het ook redelijk om de kosten die buiten de buddyhond zelf gelegen zijn en meer liggen in de privésfeer van diegene die de hond heeft gekregen, zoals de kosten om de woning voor een hond geschikt te maken, voor diens rekening te laten komen.
4.7.
De Raad is van oordeel dat de korpschef met deze als beleid aan te merken vaste gedragslijn niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden.
4.8.
Vaststaat dat de kosten die appellante vergoed wil krijgen niet vallen onder de in de vaste gedragslijn genoemde onderhoudskosten en medische kosten van de buddyhond. De bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing om de kosten van de aanpassing van de trappen te vergoeden is dan ook in overeenstemming met het door de korpschef gevoerde beleid. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de korpschef met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de vaste gedragslijn had moeten afwijken.
4.9.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt al dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt. Bespreking van de overige beroepsgronden kan daarom achterwege blijven.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en L.M. Tobé en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2022.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) M.E. van Donk