ECLI:NL:CRVB:2022:1889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als tuinbouwmedewerker, meldde zich ziek met rug- en knieklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
In bezwaar en beroep werd de functionele mogelijkhedenlijst bevestigd en werd de mate van arbeidsongeschiktheid op 15,14% vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond het medisch onderzoek zorgvuldig en de functiekeuze passend.
In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar knie- en vingerklachten onvoldoende werden meegewogen. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was, alle relevante medische informatie was betrokken en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen WIA-uitkering toekomt.
Proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak werd op 25 augustus 2022 in het openbaar uitgesproken door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.