ECLI:NL:CRVB:2022:1909
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering en weigering WIA-uitkering wegens niet voldoen wachttijd
Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze later omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Vervolgens weigerde het UWV een WIA-uitkering omdat appellant niet aan de vereiste wachttijd van 104 weken voldeed.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat hij zwaarder beperkt was dan vastgesteld, onder meer door psychische en lichamelijke klachten, maar kon dit niet met nieuwe medische stukken onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de verzekeringsartsen de beperkingen adequaat hadden gemotiveerd en dat de geselecteerde functies passend waren. Ook werd bevestigd dat appellant niet voldeed aan de wachttijdvereiste voor de WIA-uitkering.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De ZW-uitkering is terecht beëindigd en de WIA-uitkering terecht geweigerd wegens niet voldoen aan de wachttijd van 104 weken.