Appellant was werkzaam als machinewerker metaalbewerking en ontving sinds 2009 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2019 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 55 tot 65%, wat leidde tot verlaging van de uitkering. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen niet juist waren vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep volgt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelt dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen slechts hulpmiddelen zijn en dat deze in de beoordeling zijn betrokken. De beperkingen en benutbare mogelijkheden zijn zorgvuldig vastgesteld en de functies waarop de beoordeling is gebaseerd zijn medisch geschikt voor appellant.
Appellant kon ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij de functie van administratief medewerker niet kan vervullen vanwege taalbeheersing. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak terecht is en bevestigt deze zonder toekenning van proceskosten.