ECLI:NL:CRVB:2022:195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid en recht op WIA-uitkering
Appellant, voormalig facilitair medewerker, betwistte het besluit van het UWV dat hem per 18 januari 2018 geen WIA-uitkering toekent omdat hij niet toegenomen arbeidsongeschikt zou zijn uit dezelfde oorzaak als bij einde wachttijd op 29 mei 2014.
De rechtbank had reeds geoordeeld dat de klachten van appellant, waaronder hand-, arm-, rug-, schouder- en psychische klachten, niet waren toegenomen en niet uit dezelfde oorzaak voortkwamen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel na uitgebreide beoordeling van medische rapporten, waaronder een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en het rapport van een arbeidsdeskundige.
De Raad oordeelt dat handklachten voortkomen uit latere valpartijen en niet uit de oorspronkelijke enkelklachten. Wel is sprake van toegenomen beperkingen door medicatiegebruik (tramadol) dat na einde wachttijd is gestart, maar deze beperking wordt toegerekend aan de reeds bestaande enkelklachten. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft onder de 35%, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstaat.
Het bestreden besluit was niet deugdelijk gemotiveerd, maar dit gebrek wordt gepasseerd omdat het besluit inhoudelijk juist is. Het hoger beroep wordt afgewezen, maar het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering per 18 januari 2018 wordt bevestigd.