Appellant, een defensieambtenaar, werd in 2016 vanuit Nederland op Curaçao geplaatst en ontving een verlaagde eigen bijdrage van 10% voor zijn huurwoning op grond van artikel 13, zevende lid, van het VBD nadat hij zijn eigendomswoning in Nederland niet meer verhuurde.
Na een lokale verhuizing binnen Curaçao stelde de staatssecretaris dat appellant niet langer aan de voorwaarden voldeed voor de verlaagde eigen bijdrage, omdat hij verhuisd was van een huurwoning naar een andere huurwoning in het buitenland. Dit leidde tot een besluit waarbij de eigen bijdrage weer op 17% werd vastgesteld, dat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellant dat de eerste verhuizing naar het buitenland bepalend is en dat een latere lokale verhuizing geen invloed heeft op het recht op de verlaagde eigen bijdrage zolang de eigendomswoning in Nederland wordt aangehouden en niet wordt verhuurd aan derden.
De Raad oordeelde dat de staatssecretaris artikel 13, zevende lid, van het VBD onjuist had toegepast en volgde appellant in zijn uitleg dat het recht op de verlaagde eigen bijdrage blijft bestaan na een lokale verhuizing in het buitenland. Het bestreden besluit werd vernietigd, het eerdere besluit herroepen en het verzoek van appellant toegewezen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.