ECLI:NL:CRVB:2022:1982

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2022
Publicatiedatum
19 september 2022
Zaaknummer
20/4069 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbZiektewet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete en terugvordering wegens schending informatieplicht Ziektewet

Appellant was ziek gemeld en ontving een Ziektewet-uitkering vanaf september 2018. Hij werkte vanaf 1 mei 2019, maar gaf dit te laat en onjuist door aan het Uwv. Hierdoor ontving hij onterecht een uitkering over de periode 1 mei tot en met 21 juli 2019.

Het Uwv legde een boete op van € 246,89 en vorderde € 1.081,67 terug. Appellant maakte bezwaar, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij tijdig informatie had verstrekt. De rechtbank vond de boete passend, mede vanwege verminderde verwijtbaarheid.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij tijdig had geïnformeerd en dat het Uwv nalatig was. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat appellant zijn informatieplicht had geschonden en bevestigde de boete en terugvordering. Er werden geen bijzondere omstandigheden gevonden die de boete zouden verminderen.

De Raad wees ook het verzoek om proceskosten toe te wijzen af en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de boete en terugvordering wegens schending van de informatieplicht door appellant.

Uitspraak

20 4069 ZW, 20/4070 ZW

Datum uitspraak: 14 september 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
21 oktober 2020, 20/877, 20/880 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft zich per 23 september 2018 ziek gemeld. Hij was werkzaam als uitzendkracht en door zijn ziekmelding is dit dienstverband op 23 september 2018 geëindigd. Aan appellant is per 25 september 2018 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
Appellant heeft door middel van een wijzigingsformulier van 18 juli 2019, door het Uwv ontvangen op 19 juli 2019, laten weten dat hij per 1 juni 2019 werkzaam is bij [naam bedrijf] .
1.3.
Bij brieven van 21 augustus 2019 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij in strijd met zijn informatieplicht niet juist en te laat heeft doorgegeven dat hij al vanaf 1 mei 2019 werkt bij [naam bedrijf] , dat in verband daarmee over de periode 1 mei 2019 tot en met 21 juli 2019 een bedrag van € 1.081,67 (bruto) teveel aan ZW-uitkering is betaald, dat hij dit bedrag moet terugbetalen en dat het Uwv van plan is om appellant een boete op te leggen van € 246,89.
1.4.
Bij besluit van 20 september 2019 (primair besluit 1) heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant herzien over de periode 1 mei 2019 tot en met 21 juli 2019, omdat gebleken is dat hij in deze periode inkomsten uit arbeid heeft ontvangen die hij niet (tijdig en correct) heeft doorgegeven aan het Uwv. Tevens heeft het Uwv over deze periode een bedrag van
€ 1.081,67 (bruto) aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van appellant teruggevorderd.
1.5.
Bij afzonderlijk besluit van tevens 20 september 2019 (primair besluit 2) heeft het Uwv aan appellant een boete opgelegd van € 246,89, zijnde 25% van het benadelingsbedrag, omdat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door het Uwv niet juist en te laat door te geven dat hij werkzaam is bij [naam bedrijf] vanaf 1 mei 2019.
1.6.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 20 september 2019. Bij beslissingen op bezwaar van 31 januari 2020 (bestreden besluit 1 en 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Het Uwv heeft ten aanzien van de herziening en terugvordering overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat appellant al op 1 mei 2019 met werken is begonnen en salaris heeft ontvangen en dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden door te laat en onjuiste informatie te verstrekken. Ten aanzien van de boete heeft het Uwv overwogen dat, omdat appellant alsnog zelf een melding heeft gemaakt, sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant in de periode van 1 mei 2019 tot en met 21 juli 2019 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. De rechtbank heeft overwogen dat appellant zijn stelling dat hij in maart 2019 reeds inlichtingen heeft verstrekt over zijn dienstverband per
1 mei 2019 bij [naam bedrijf] niet onderbouwd heeft. De rechtbank heeft overwogen dat appellant de op hem rustende informatieplicht heeft geschonden door te laat en onjuiste informatie aan het Uwv te verstrekken. Het Uwv was gehouden appellant een boete op te leggen. Appellant heeft zijn standpunt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van deze schending niet verder onderbouwd. Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank tevens overwogen dat het Uwv in het bestreden besluit heeft vastgesteld dat appellant, zij het te laat, uit eigen beweging alsnog informatie heeft verstrekt over zijn dienstverband en dat daarom is uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid en een boete van 25% van het benadelingsbedrag. Appellant heeft niet toegelicht wat zijn persoonlijke omstandigheden zijn waardoor het Uwv geen rekening mee is gehouden en heeft ook niet toegelicht waarom de boete onevenredig hoog is. De oplegging van een boete van € 246,89 is volgens de rechtbank passend en geboden.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat zijn recht op een
ZW-uitkering ten onrechte is herzien en dat er ten onrechte een bedrag van € 1.081,67 van hem is teruggevorderd. Volgens appellant heeft hij de gegevens die van belang waren voor het Uwv tijdig overgelegd en had het op de weg van het Uwv gelegen om deze inlichtingen tijdig en op de juiste wijze te verwerken. Appellant meent dat, nu de terugvordering op een onzorgvuldige wijze en op onjuiste gronden is ontstaan, de boete ten onrechte is opgelegd. Met verwijzing naar rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754, en 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1801) meent appellant dat de rechtbank, net zoals het Uwv, geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden die hij heeft aangevoerd. Volgens appellant had het Uwv de boete op nihil moeten stellen, nu appellant zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden en hij alle benodigde gegevens heeft overgelegd aan het Uwv.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen 7.1 tot en met 7.5 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Deze gronden zijn door de rechtbank voldoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden volledig onderschreven. Voor een andersluidend oordeel zijn in hoger beroep geen aanknopingspunten.
4.3.
Overweging 4.2 leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2022.
(getekend) S. Wijna
(getekend) C.G. van Straalen