Uitspraak
22.408 ZW
R.D. van den Heuvel.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig buschauffeur, meldde zich ziek na een verkeersongeval en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde na een eerstejaars beoordeling vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de uitkering per 25 januari 2020.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond op basis van medische en arbeidskundige rapporten. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld, ook niet met nieuw ingebrachte medische stukken.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte nieuwe medische informatie buiten beschouwing had gelaten, waaronder chronische klachten en medicatiegebruik. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat de rechtbank de stukken terecht slechts gedeeltelijk meegewogen had, omdat de klachten en medicatiegebruik niet volledig zien op de datum in geding.
De Raad concludeerde dat het UWV de belastbaarheid van appellant juist heeft ingeschat en dat de gekozen functies medisch geschikt zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht heeft beëindigd.