Uitspraak
21.4205 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand zijn gelaten;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2002 bijstand en kreeg na het overlijden van haar moeder aanspraak op een derde deel van de nalatenschap van haar vader, bestaande uit een hypothecaire geldvordering die tot 2033 niet opeisbaar was. Pas op 9 juni 2020 werd haar aandeel van € 32.222,91 daadwerkelijk uitgekeerd nadat de lening was afgelost.
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag herzag de bijstand over de periode van 6 november 2017 tot 12 februari 2020 en vorderde € 26.282,91 terug, omdat appellante vanaf 9 juni 2020 feitelijk over het erfdeel kon beschikken. De rechtbank vernietigde de herziening, maar handhaafde de terugvordering op grond van het bestaan van naderhand verkregen middelen.
In hoger beroep stelde appellante dat het bedrag niet als naderhand verkregen middelen moest worden aangemerkt, maar als actueel vermogen, wat gunstiger zou zijn. De Raad oordeelde echter dat de hypothecaire lening pas op 9 juni 2020 opeisbaar werd en dat het college terecht terugvordering toepaste op basis van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen van de vernietigde herziening in stand liet en bevestigde het overige oordeel. Het hoger beroep werd afgewezen en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens het ontvangen erfdeel als naderhand verkregen middelen wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.