ECLI:NL:CRVB:2022:787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terechte inhouding van rente op bijstand als inkomen
Appellante ontvangt bijstand en kreeg rente uit een niet-opeisbare hypothecaire lening die zij voor een deel uit de nalatenschap van haar vader erfde. Het college bracht deze rente in mindering op haar bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze inhouding ongegrond, omdat de rente als inkomen wordt beschouwd volgens artikel 32 van Pro de Participatiewet (PW).
Appellante voerde aan dat de rente niet als inkomen maar als vermogen moet worden gezien zolang de vordering niet opeisbaar is. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat de rente wel degelijk inkomen is, terwijl de vordering zelf niet als vermogen wordt aangemerkt vanwege de niet-opeisbaarheid tot 2033.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De inhouding van de rente op de bijstand is daarmee rechtsgeldig.
Uitkomst: De inhouding van de rente op de bijstand is terecht en het hoger beroep wordt afgewezen.