Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2034

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
21/836 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZWArt. 19ab ZWArt. 23 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering en weigering WIA-uitkering wegens niet volgemaakte wachttijd

Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met fysieke klachten. Het Uwv kende haar een Ziektewet-uitkering toe, die na een eerstejaars beoordeling werd voortgezet. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat appellante met beperkingen nog 100% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het Uwv beëindigde daarom haar ziekengeld en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen en belastbaarheid van appellante juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet in staat was te werken, onderbouwd met medische stukken en een brief van een GGZ-instelling.

De Raad concludeert dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld en dat het medisch oordeel dat appellante belastbaar is conform de Functionele Mogelijkhedenlijst van 24 mei 2019 standhoudt. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de functies geschikt zijn en dat appellante geen recht heeft op ziekengeld vanaf 13 juli 2019. Omdat de wachttijd van 104 weken niet is voltooid, is de weigering van de WIA-uitkering terecht. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de termijn niet is overschreden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt geweigerd.

Uitspraak

21 836 ZW

Datum uitspraak: 22 september 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
5 februari 2021, 20/1779 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2022. Namens appellante is verschenen mr. Berkouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest als schoonmaakster voor 28 uur per week. Haar dienstverband is op 17 april 2017 geëindigd. Appellante heeft zich op 1 augustus 2017 ziekgemeld met fysieke klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellante op dat moment niet ten minste 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 mei 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante op 21 mei 2019 nog 100% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 12 juni 2019 (primair besluit 1) vastgesteld dat appellante met ingang van 13 juli 2019 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Bij besluit van 13 juni 2019 (primair besluit 2) heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 30 juli 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij niet gedurende 104 weken recht heeft gehad op een ZW-uitkering. Het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten 1 en 2 heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Niet gebleken is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op duidelijke wijze uitgelegd waarom appellante niet volledig arbeidsongeschikt kan worden geacht. Vanwege de psychische en lichamelijke klachten van appellante zijn in de FML verschillende beperkingen opgenomen. Op grond van de voorhanden (medische) informatie en hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze FML en de motivering die de verzekeringsartsen daaraan ten grondslag hebben gelegd. Appellante heeft de zorg voor drie jonge kinderen en heeft ingrijpende dingen meegemaakt, maar daarmee is niet aannemelijk geworden dat zij vanwege ziekte niet in staat is te werken. De rechtbank is verder niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt, zodat deze functies worden geacht geschikt te zijn.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij wel in aanmerking had moeten komen voor een ZW-uitkering en vervolgens een WIA-uitkering. Appellante meent dat zij niet in staat is om werkzaamheden te verrichten. Dat heeft zij ook onderbouwd met stukken.
Daarnaast heeft zij ter zitting bij de rechtbank een toelichting gegeven. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep een brief van [naam GGZ instelling] van 24 augustus 2022 ingebracht.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).
4.1.2.
Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA geldt voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet voor hem een wachttijd van 104 weken.
4.2.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd.
4.2.2.
De inhoud van de door appellante in hoger beroep ingebrachte brief van [naam GGZ instelling] van 24 augustus 2022 en de foto van haar huidige medicijnen geven geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel dat bij appellante op 13 juli 2019 geen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en dat zij per die datum belastbaar kan worden geacht conform de FML van 24 mei 2019. Ook heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de aan de ZW-beoordeling ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Het Uwv heeft dan ook terecht vastgesteld dat appellante met ingang van 13 juli 2019 geen recht meer heeft op ziekengeld. Nu appellante de in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA vervatte wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt, heeft het Uwv terecht geweigerd aan appellante met ingang van 30 juli 2019 een WIA-uitkering toe te kennen.
5. De overwegingen in 4.2.1 en 4.2.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De termijn is aangevangen op 25 juni 2019, de dag waarop het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 12 en 13 juni 2019 heeft ontvangen. Op 22 september 2022 wordt in hoger beroep uitspraak gedaan, zodat de redelijke termijn van vier jaar voor de totale duur van de procedure niet is overschreden. Voor het toekennen van een schadevergoeding bestaat daarom geen grond.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van K.M. Geerman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2022.
(getekend) S. Wijna
(getekend) K.M. Geerman