Uitspraak
21 836 ZW
5 februari 2021, 20/1779 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met fysieke klachten. Het Uwv kende haar een Ziektewet-uitkering toe, die na een eerstejaars beoordeling werd voortgezet. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat appellante met beperkingen nog 100% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het Uwv beëindigde daarom haar ziekengeld en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen en belastbaarheid van appellante juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet in staat was te werken, onderbouwd met medische stukken en een brief van een GGZ-instelling.
De Raad concludeert dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld en dat het medisch oordeel dat appellante belastbaar is conform de Functionele Mogelijkhedenlijst van 24 mei 2019 standhoudt. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de functies geschikt zijn en dat appellante geen recht heeft op ziekengeld vanaf 13 juli 2019. Omdat de wachttijd van 104 weken niet is voltooid, is de weigering van de WIA-uitkering terecht. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de termijn niet is overschreden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt geweigerd.