Appellant ontving huishoudelijke hulp en begeleiding via een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wmo 2015 en andere wetten. Het college verstrekte voor de periode 1 januari tot 30 juni 2017 een pgb, maar voor 1 juli 2017 tot 30 juni 2018 alleen voorzieningen in natura, omdat het college twijfelde aan de veiligheid en doeltreffendheid van de diensten die appellant met het pgb wilde inkopen.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de periode inmiddels was afgesloten en appellant geen schade had geleden. Appellant stelde hoger beroep in en voerde aan dat een oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor toekomstige aanvragen.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep zich beperkt tot het bestreden besluit en het oordeel van de rechtbank daarover. Procesbelang is aanwezig indien het resultaat feitelijk betekenis kan hebben, ook voor toekomstige perioden. Appellant had aangetoond dat hij in juni 2018 een pgb wilde voor de opvolgende periode en dat hij daarna ondersteuning ontving, waardoor procesbelang niet ontzegd kon worden.
De Raad beoordeelde inhoudelijk dat het college terecht geen pgb verstrekte voor de periode 1 juli 2017 tot 30 juni 2018, omdat onvoldoende was aangetoond dat de diensten veilig, doeltreffend en cliëntgericht werden geleverd. De stukken van appellant boden onvoldoende inzicht in de kwaliteit en doelmatigheid van de ondersteuning.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde het college in de proceskosten van appellant.