Uitspraak
21 87 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
28 september 2022.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 1995 een Wajonguitkering die in 2000 vanwege detentie werd beëindigd. In 2004 verzocht appellant om herleving van de uitkering, wat werd afgewezen. Na het einde van de detentie in 2018 ontving appellant opnieuw een Wajonguitkering. In 2019 verzocht appellant om terug te komen op het besluit uit 2004 en met terugwerkende kracht de uitkering toe te kennen.
Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de door appellant aangevoerde brieven geen nieuwe feiten bevatten. Ook verwees de rechtbank naar een eerdere uitspraak van de Raad die alleen gevolgen had voor degenen die destijds bezwaar hadden gemaakt, wat appellant niet had gedaan.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de inhoud van rechtspraak zelf geen nieuw feit is en dat de aangevoerde brieven geen nieuwe feiten bevatten. Het verzoek om een langere uitlooptermijn werd niet gehonoreerd. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het bestreden besluit niet evident onredelijk is.
Uitkomst: Het verzoek tot terugkomen op het besluit uit 2004 om de Wajonguitkering te herleven wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.