ECLI:NL:CRVB:2022:2081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontving van 2004 tot 2005 een WAO-uitkering met een hoge mate van arbeidsongeschiktheid, die later werd herzien naar een lagere mate. In 2016 werd de uitkering verhoogd naar 80-100% arbeidsongeschiktheid op basis van een rapport van een verzekeringsarts. Appellant verzocht vervolgens om terug te komen op eerdere besluiten en de arbeidsongeschiktheid met ingang van 2004 vast te stellen op 100%, maar het UWV wees dit af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het rapport van 2016 niet als nieuw feit kon worden aangemerkt omdat het alleen betrekking had op de situatie per 29 maart 2016. In hoger beroep voerde appellant aan dat het rapport wel als nieuw feit moest worden gezien en overhandigde aanvullende medische stukken, maar de Raad volgde de rechtbank en het UWV.
De Raad benadrukte dat nieuwe feiten of omstandigheden feiten zijn die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet eerder konden worden aangevoerd. Het rapport van 2016 en de medische stukken konden niet als zodanig worden aangemerkt. Het verzoek om terug te komen op eerdere besluiten werd daarom terecht afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.