ECLI:NL:CRVB:2022:2083
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante, laatst werkzaam als bloembindster, meldde zich ziek met fibromyalgie en artrose. Het UWV kende haar aanvankelijk een WGA-uitkering toe, maar beëindigde deze later na een herbeoordeling waarbij werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, het beroep op het Korošec-arrest niet slaagde en er geen sprake was van ongelijke procespositie. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verzekeringsarts de beperkingen onderschatte en dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de noodzaak van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, appellante voldoende gelegenheid had gehad om haar standpunt te onderbouwen en dat er geen schending was van het equality of arms-beginsel. De Raad vond geen reden om te twijfelen aan de medische beoordeling en bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.