ECLI:NL:CRVB:2022:2090
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling bevestigd
Appellant, voormalig orderpicker, meldde zich ziek met psychische en oogklachten en ontving aanvankelijk ziekengeld. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond vanwege een deugdelijke medische en arbeidskundige beoordeling.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verzekeringsartsen van het UWV niet objectief waren en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het rapport van de primaire arts duidelijk, begrijpelijk en concludent was, zonder aanwijzingen voor vooringenomenheid. De arts bezwaar en beroep had de FML aangepast aan psychische beperkingen en alle relevante medische informatie was betrokken.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch passend waren en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen, waardoor het beginsel van equality of arms niet was geschonden. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bekrachtigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.