ECLI:NL:CRVB:2022:2093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening terugvordering Ziektewet- en WW-uitkeringen
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin haar verzoek om een Ziektewet- en Werkloosheidswet-uitkering werd afgewezen en terugvorderingsbesluiten werden opgelegd. Tevens verzocht zij om een voorlopige voorziening om de terugvorderingen op te schorten vanwege financiële problemen.
De voorzieningenrechter verwijst naar de eerdere uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant en constateert dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een spoedeisend financieel belang. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt geen acute noodsituatie zoals dreigende huisuitzetting of afsluiting van essentiële leveringen. Verzoekster beschikt over een positief banksaldo en ontvangt maandelijks inkomsten uit arbeid.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet bedoeld is om de hoofdzaak te bespoedigen zonder spoedeisend belang. Omdat het spoedeisend belang ontbreekt en er geen zwaarwegend belang is dat de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht, wordt het verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een financieel spoedeisend belang.