Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar het college trok deze in vanwege vermoedens dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Dit werd onderbouwd met extreem laag waterverbruik en analyse van pintransacties.
De Raad maakte onderscheid tussen twee periodes: periode 1 met extreem laag waterverbruik (3 m³) en periode 2 met een hoger, niet extreem laag verbruik (9 m³). Voor periode 1 oordeelde de Raad dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, waardoor de intrekking terecht was. Voor periode 2 was onvoldoende bewijs om de intrekking te rechtvaardigen.
De Raad vernietigde daarom het besluit tot intrekking over periode 2 en herroept dit deel van het besluit. De intrekking van bijzondere bijstand en individuele minimatoeslag blijft in stand voor periode 1. De terugvordering van bijstand betreft alleen periode 1 en blijft gehandhaafd.
Tot slot veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant.