Uitspraak
20.4077 PW
OVERWEGINGEN
20 juni 2018 de bijstand over de periode van 1 juni 2017 tot en met 30 april 2018, behoudens de maand november 2017, in te trekken en de over deze periode betaalde kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 9.309,77. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn gokactiviteiten en dat appellant de hoogte van de gokopbrengsten niet inzichtelijk heeft gemaakt, waardoor het recht op bijstand over de hiervoor genoemde periode niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 21 juni 2018 heeft het college de terugvordering gebruteerd en verhoogd tot een bedrag van € 10.770,44.
23 mei 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 maart 2020 (bestreden besluit) de bijstand over de maanden juni 2017, juli 2017, september 2017, november 2017, januari 2018 tot en met april 2018 te herzien, de bijstand over de maand december 2017 in te trekken en de kosten van de bijstand over die maanden tot een bedrag van € 2.876,52 terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de stortingen en bijschrijvingen, en dat deze, met uitzondering van twee bijschrijvingen, zijn aan te merken als inkomsten die in mindering komen op de bijstand over de betreffende maanden.