ECLI:NL:CRVB:2022:2128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek bij WIA-toenamebeoordeling
Appellante, werkzaam als leidster op een peuterspeelzaal, meldde zich ziek met klachten aan arm en schouder en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Na afloop van de wachttijd weigerde het UWV een WIA-uitkering toe te kennen vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, wat bevestigd werd na bezwaar en beroep. Later meldde appellante toegenomen klachten door baarmoederverzakking en dystrofie, maar het UWV weigerde opnieuw een WIA-uitkering toe te kennen omdat geen toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak werden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische beoordeling voldoende was gemotiveerd. In hoger beroep betoogde appellante dat de klachten toegenomen waren en geobjectiveerd konden worden, onder meer door medische rapporten en behandelingen. De Raad oordeelde dat het UWV niet geslaagd was in het aantonen dat de toegenomen beperkingen niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortvloeiden, omdat het medisch onderzoek niet volledig en onvoldoende zorgvuldig was.
De Raad stelde vast dat het UWV had moeten onderzoeken of er sprake was van een toename van beperkingen door de verzakkingsklachten, aangezien deze reeds in de eerdere beoordeling waren meegenomen. Voor de pijnklachten door dystrofie was het medisch oordeel wel voldoende gemotiveerd. De Raad droeg het UWV op binnen twaalf weken het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, conform de artikelen 3:2 en 7:12 Awb.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het medisch onderzoek te herstellen en een nieuw besluit te nemen binnen twaalf weken.