ECLI:NL:CRVB:2025:674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht heeft besloten geen WIA-uitkering toe te kennen aan appellante met ingang van 8 maart 2019, omdat er geen sprake zou zijn van toegenomen beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak als waarmee zij eerder de wachttijd heeft doorlopen.
De Raad heeft een tussenuitspraak gedaan waarin het UWV werd opgedragen het besluit beter te motiveren. Vervolgens heeft het UWV een nieuw rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Omdat de Raad twijfelde over de juistheid van dit rapport, werd een onafhankelijke urogynaecoloog als deskundige benoemd. Deze deskundige bevestigde het standpunt van de verzekeringsarts dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft geconcludeerd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 8 maart 2019. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering wordt vernietigd met behoud van rechtsgevolgen.