ECLI:NL:CRVB:2022:2145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verlenging diplomatermijn hoger onderwijs wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden
Appellante vroeg verlenging van de diplomatermijn hoger onderwijs met vijf jaar op grond van structurele omstandigheden, waaronder ADHD en gevolgen van een verkeersongeval. De minister wees dit verzoek af omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.16 Wsf 2000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de overschrijding van de diplomatermijn het gevolg was van door appellante gemaakte studiekeuzes, zoals het volgen van een mbo-opleiding en het late starten van een hbo-opleiding.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de overschrijding veroorzaakt werd door een combinatie van bijzondere omstandigheden en dat de hardheidsclausule toegepast moest worden. De Raad stelde vast dat de medische informatie onvoldoende inzicht gaf in de ernst van de ADHD en dat de gevolgen van het verkeersongeval niet belemmerend waren voor het studeren. De medisch adviseur van de minister werd gevolgd.
De Raad oordeelde dat de minister terecht het verzoek had afgewezen omdat niet was aangetoond dat de overschrijding direct het gevolg was van bijzondere omstandigheden van tijdelijke of structurele aard. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de hardheidsclausule faalden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Verzoek om verlenging van de diplomatermijn met vijf jaar wordt afgewezen wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden.